De 7 hoofdzonden en leiderschap: Deel 1 Hoogmoed

Geschreven door Carl Vanhemelen op *}

Onze hoofdzonden draaien al een tijdje mee. De eerste- officiële- vermelding  komt ergens van rond 400 nc van onze jaartelling. Voorheen werden er in de bijbel een aantal verwijzingen geciteerd, maar de hoofdzonden as such komen uit de pen van het heerschap Evagrius Ponticus. Toen hij ze ergens in de woestijn als monnik het levenslicht gaf, waren het er nog acht. Vóór hij in de monnikspij kroop had hij zelf duchtig minstens een aantal van de slechte gedachten, zoals hij ze noemde, uitbundig uitgeprobeerd. Pas nadat hij op de vlucht was omdat hij weer eens  een zondeke had gepleegd en kort daarna ernstig ziek werd, kwam Evagrius tot inkeer, werd monnik en beschreef de acht hoofdzonden. Een mens verandert zijn gedrag tenslotte pas wanneer de pijn als groot genoeg wordt ervaren. Een vijftiental jaar later stierf de arme man, blijkbaar wegens een té ascetische leven. Zo zie je maar, té is nergens goed voor. Kwestie van plussen-en-minnen, ying en yang, elk voordeel heb ze nadeel (Johan Cruyff, groot filosoof en matig voetballer)

Rond 600 nc herstructureerde Paus Gregorius een en ander terug tot de zeven hoofdzonden zoals we die nu kennen met als topper met een stip op nummer één: Hoogmoed, ijdelheid. Alle andere hoofdzonden vloeien hier op één of andere manier uit voort, althans volgens Gregorius en aanhangers. Hiermee begin ik dan ook mijn serie van zeven –korte- artikels over de evenveel hoofdzonden toegepast op leiderschap.

Hoogmoed – Ijdelheid.

De latijnse benaming hiervan is Superbia (Latijn brengt het intellectuele peil van dit artikel onmiddellijk al op ongekende hoogten en is vandaag blijkbaar vreselijk ín).

Wikipedia vertelt ons hierover:

Superbia wordt beschouwd als de ergste van de zeven zonden en eveneens de eerste: alle andere zonden komen uit superbia voort. Met superbia wordt het verlangen om belangrijker of aantrekkelijker te zijn bedoeld, of een liefde voor zichzelf. Het meest bekende verhaal over ijdelheid is het verhaal van Lucifer. De ijdelheid veroorzaakte zijn vertrek uit de hemel en zijn transformatie in Satan. Ook narcisme vloeit uit deze zonde voort.

Hoe koppelen we dit nu aan leiderschap? Gewoon even rondkijkend zien we gelukkig dat hoogmoed zich meestal manifesteert als iets onschadelijks. Een beetje trots op wat we verwezenlijkt hebben – of toch tenminste wat onze perceptie hiervan is – kan toch geen kwaad? Een beetje gezond zelfvertrouwen geeft toch de moed om in het soms koude en diepe water te springen? De drang om net iets beter of knapper te zijn dan de andere zet ons toch in beweging? Het kan ons kracht en energie geven. Juist, maar toch…

Het wordt pas lastig wanneer je jezelf belangrijker, beter en véél slimmer waant en voelt dan de andere en daar bovendien álles voor over hebt. Dan ben je dikwijls stekeblind voor de eigen tekortkomingen en de hiaten in je eigen denkpatronen. Het betekent ook dat je de andere niet kunt erkennen als minstens gelijkwaardig, zelfs beter dan jezelf. Het gevolg kan afgunst zijn, een andere hoofdzonde. Bij het opbouwen van duurzame relaties – toch wel de doelstelling van elk authentiek leider – staat hoogmoed vanzelfsprekend stevig in de weg. Hoogmoed loopt dikwijls hand in hand met het megafoute en godzillagroot ego. Politieke machtsspelletjes piepen steeds om de hoek en er wordt zelden geluisterd met de bedoeling om tot een situatie te komen waar iedereen beter van wordt. Het eigen gelijk en vooral winst prevaleert. Met zulk een houding leer je overigens ook niets meer bij. Jij hebt het tenslotte toch steeds bij het rechte eind. Correctieve feedback krijgen is iets om te negeren en vooral te bestrijden. Wat weet die andere tenslotte beter dan jij? Wat weet die andere überhaupt? Het gevolg is een sfeer van wantrouwen en suboptimaal gedrag bij de volgers. Niemand haalt het onderste uit de kan of laat het achterste van de tong zien. Tenzij onder dwang, en dan nog.

Enkele manifestaties van hoogmoedig leiderschap:

  • Zelfoverschatting: het hoger inschatten van de kansen van de eigen acties en ideeën dan wat in realiteit het geval is. Daaraan gekoppeld ook het onderschatten van de capaciteiten van “anderen”.
  • Blind zijn voor gevaren en daarbij niet gebukt gaan onder een stevige kennis van de materie waar het over gaat.
  • Altijd willen winnen en er ook van overtuigd zijn dat dat ook steeds zal gebeuren, wat het ook kost.
  • Oorspronkelijk succes foutief extrapoleren en vervolgens overmoedig de hand overspelen.
  • Denken het systeem te kunnen verslaan.
  • Geloof in niet bewezen eigen superioriteit in een bepaald domein en dit transponeren naar een totaal ander en vooral niet gerelateerd domein.
  • Een misplaatst gevoel dat de ganse boel 100% onder controle is terwijl het schip al voor 90% onder water staat.
  • Denken dat alle succes aan jezelf te wijten is en dat indien er fouten opduiken dit vooral de schuld van iemand anders is.
  • Het succes van anderen misgunnen en er álles aan doen om dit zo kort mogelijk te laten duren (zie later ook afgunst, gramschap, wraak).
  • Telkens je voorbij de spiegel loopt denken dat je op George Clooney of Charlize Theron lijkt (heeft impact op onkuisheid, lust of wellust).
  • Telkens het grootste stuk vlees of taart nemen omdat je ervan overtuigd bent dat je het verdient (overlapping met gulzigheid en/of hebzucht).

De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend – behalve bij gazpacho – en het gebeurt zelden dat een leider zo extreem hoogmoedig is als hiervoor beschreven. Toch? En er is uiteraard niets mis mee wanneer je als leider een gezonde dosis aan zelfvertrouwen hebt of je dit tenminste toch uitstraalt. Het schept vertrouwen en geeft anderen moed en vooral goesting om je te volgen.

Zoals bij elke kernkwaliteit heeft deze uitermate positieve eigenschap – zelfvertrouwen- zijn keerzijde wanneer ze doorslaat. Om het met de wijze woorden van Daniel Ofman te parafraseren: het wordt onze valkuil die zich dan uit in zelfoverschatting en zelfverheffing. Om niet in deze valkuil te flikkeren, kan je je oefenen in je grote uitdaging: nederigheid. Het besef dat je nu eenmaal niet alle wijsheid in pacht hebt. Dat anderen een meer dan waardevolle en zelfs schitterende  inbreng kunnen hebben, dikwijls beter dan de jouwe. Geduldig luisteren is moeilijk maar na een tijd wordt ook dat weer gemakkelijk. Het lef ook hebben om eens te twijfelen en zaken in vraag te stellen of te laten stellen. Het advies van anderen  met een voor jou ongekend perspectief is verrijkend en leerzaam. En als je dan al eens onderaan in de valkuil ligt, roep dan luidkeels om hulp en accepteer de uitgestoken vriendelijke hand. Lach hardop met jezelf en denk: weer iets bijgeleerd en de volgende keer beter.

Uiteraard kan je genoeg voorbeelden van “hoogmoedige” mensen om je heen bedenken en zondig je hiertegen zelf zeker en vast nooit. Ik heb bij het schrijven ook nooit ofte nimmer mezelf op het netvlies gehad. Maar toch….(zeker bij de spiegel en George)

Volgende hoofdzonden:

  • Hebzucht
  • Afgunst, jaloezie
  • Gulzigheid
  • Gramschap, toorn of wraak
  • Gemakzucht, luiheid of traagheid
  • Onkuisheid, lust of wellust